Een ode aan de vrijwilliger

Een verhaal over Twajn Schoenmaeckers, geschreven door zijn zoon Eugène Schoenmaeckers.

Herinneringen zijn gestolde geschiedenis, las ik ergens. Wel kunnen zij gekleurd  worden doorverteld.  Probleem? Neen, zij kunnen in ieder geval de leefsfeer in de beschreven tijd doorgeven.
Wij zijn dankbaar te beschikken over zulke dierbare herinneringen aan de tijd dat onze vader, 40 jaren actief lid van het Rode Kruis,  onze belevenissen uit die tijd  belangrijk mee heeft bepaald.

Dan stel ik U nu graag voor aan een man die nagenoeg zijn hele leven in dienst heeft gesteld van anderen:  A.C.J.D. (Twajn) Schoenmaeckers, geboren op 4 maart 1902 en overleden 16 december 1992. Gehuwd en vader van zes kinderen waar onder twee dochters. Annie was de oudste van ons gezin en is ook  lid geweest van het Rode Kruis. Wij als kinderen kwamen vaak in contact met de vrijwilligers via de Speldagen die door het Rode Kruis regelmatig werden georganiseerd op ‘Campagne’, het buitenverblijf.  Dit buitenverblijf gold ook als ontspanningsoord voor de werkers in de lazaretten.

Dhr. J. Segers de man die tijdens het ziekbed van mijn vader in 1992 vaak in zijn gezelschap was.

Ja, de lazaretten. Het ene gelegen aan de Hertogsingel in de Notgerusschool, het andere in het toenmalige Jezuïtenklooster aan de Tongersestraat. Dit klooster werd al snel door de Duitsers geconfisqueerd, aanvankelijk alleen bestemd voor de burgerslachtoffers en de Belgische slachtoffers, maar al spoedig ingericht als  Haupt kriegsgefangen Lazarette, Rode Kruis, Afdeling Maastricht e. O. Klavarie werd bestemd voor de Duitse oorlogsslachtoffers.

Hier werd mijn vader  in de meimaand van 1940 tewerkgesteld als broeder-verpleger. Wij , groot en klein, hebben bij onze bezoeken aan het lazaret veel gezien en meebeleefd. Militairen van onder tot boven verbrand in een bunker, helemaal in verband gewikkeld, alleen de ogen vrij. Het leken mummies zoals ze daar lagen. En dan al die anderen, van allerlei nationaliteit, met gruwelijke verminkingen. Jonge jongens nog, ongevraagd weggerukt uit hun nog jonge leven.

 

 

Journalisten waren niet welkom in het Lazaret, laat staan fotografen. Pa -amateurfotograaf- smokkelde zijn toestel naar binnen en legde zó veel leed  maar soms ook vreugdevolle momenten vast. Hij ontwikkelde de foto’s in zijn eigen DOKA. Wij mochten daar wel eens bij zijn in ’t donker. Spannend! Deed je de deur open van de DOKA als hij bezig was met ontwikkelen, dan waren ‘de rapen gaar’, dan was diezelfde deur tevens een nooduitgang voor de boosdoener… .. Weg foto!

De resultaten zijn al eerder door ons aan het Bestuur van het Rode Kruis overhandigd. Ook foto’s van Koningin Moeder Elizabeth van België tijdens haar bezoek aan de Belgische soldaten in het lazaret en een aan hem persoonlijk gerichte dankbrief van haar hand zijn in het archief aanwezig.

Ook hield pa een schrift bij, waarin hij de gewonde militairen hun belevenissen uit het oorlogsgeweld liet neerschrijven. Ellende van je afschrijven werkt  helend ,was zijn advies. Nederlanders, Marokkanen, Fransen, Polen, Belgen, zij  gaven graag gehoor aan zijn verzoek.

Later, toen ik zelf getrouwd was en kinderen had zoals velen van deze mannen toen ,word je pas echt duidelijk wat oorlog met mensen doet. Pa was dankbaar dat hij die nood mee mocht helpen verzachten .
Zijn vrouw, onze moeder, was ziek, toen hij dat werk  deed. Zij overleed op 45-jarige leeftijd in 1948…. Deze in een groot gezin als het onze, tragische gebeurtenis weerhield hem niet het Rode Kruiswerk trouw  te blijven, zoals zij het ook zou hebben gewild.

Zijn gezin betrok hij op alle manieren bij het Rode Kruis. Collecteren? Naar de Cortenstraat, een collectebus in de hand gedrukt  en dan de straat op. Ook bij de watersnoodramp in Februari 1953.In de rechthoekige, gesloten Rode Kruisauto rammelden wij naar de plaats van bestemming.

Het aantrekken van zijn uniform was altijd een hele ceremonie waarvan het hele gezin kon meegenieten. Glimmend gepoetste ‘kamasje’ (beenbeschermers tussen knie en enkel) met haakjes om de veters doorheen te rijgen werden  ritueel ‘gemonteerd’. Een grote platte pet completeerde het aanzien van de vrijwilliger. Later geen ‘kamasje’ meer maar een baret of schuitje(sjeepke). Lang niet zo indrukwekkend, vonden wij.
De linnen rechthoekige tas met klep en rood kruis op de zijkanten met daarin vooral voor ons als kinderen een imposant aantal eerste hulpartikelen hing thuis  aan de kapstok. Steeds binnen handbereik. Je kon immers nooit weten!
De inventaris bestond onder meer uit een verbandschaar met een interessant lipje aan het uiteinde, pleisters, verband van allerlei soort, jodium, pincetten, flesjes met ontsmettingsmiddel. Maar je had toen nog niet de beschikking over een iPad, mobiele  telefoon voor foto’s, laptop of andere elektronica. Niets van dat alles. Je kon van geluk spreken als je voor de broodnodige communicatie een openbare telefooncel in de buurt had.

Ik herinner mij nog heel goed uit latere jaren zijn verhaal dat hij thuiskwam na een bombardement in de buurt van de Kon. Ned. Papierfabriek.  Hij was ter plaatse, stoffelijke resten opsporen, zo mogelijk identificeren en afvoeren. Dan had hij enige tijd voor zichzelf nodig om van zijn ervaringen te herstellen.

Na de oorlog was hij werkzaam bij de Staalwerken de Maas. Wat zijn werk was? Juist , behalve magazijnmeester was hij verbandmeester vanwege zijn uitgebreide kennis en ervaring in dit werkgebied.

Voor  wielerwedstrijden  werd Pa ook geregeld opgeroepen. Hij liep dan in uniform, tas over zijn schouder , het parcours langs, speurend naar valpartijen. Gaf helemaal niets om wielrennen als sport. Wel als een gelegenheid om  krachtdadig te kunnen optreden Maar ja, voor de goede orde….

Als blokhoofd van de Bescherming Burgerbevolking moest hij natuurlijk voldoen aan alle vereisten. Dat deed hij dan ook ruimschoots, op één eis na:  hij werd verplicht  zwemles te gaan nemen in het Sportfondsenbad.  Hij beschikte  niet eens over een zwemPAK. Maar wat wij ons herinneren is dat hij moedig het vereiste diploma heeft gehaald voor deze hem vreemde bezigheid.
Bij luchtalarm werd het gezin in de prachtige gewelfde kelder aan de Bredestraat 19 geholpen, Ma eerst, dan de kinderen, daarna ook  de buren. Zijn fiets stond stand by op de binnenplaats. Zelf haastte hij zich daarmee dan naar zijn post van de BB of het Rode Kruis. Met Gods zegen…..

Een andere grote passie was jarenlang  brancardier te mogen zijn tijdens Lourdesreizen die vanuit  Maastricht werden georganiseerd. Ik bedenk me nu, dat deze reizen de enige uitstapjes moeten zijn geweest die hij zich zelf toestond. Maar wel weer met een zorgtaak voor gehandicapte en zieke bedevaartgangers!

Ook thuis stond zijn antenne als het ware steeds gericht op zijn paramedische zorgtaak. Zo leek het in ieder geval.
Hoorde hij op straat iets wat wel eens een ongeluk zou kunnen zijn dan stond hij met tas binnen de kortste keren in ons voortuintje en schatte de situatie in. Als het meeviel trok hij weer naar binnen.
Als wij – zijn kinderen – geblesseerd raakten en bij hem aanklopten voor eerste hulp, hebben wij er vaker achteraf spijt van gehad. “Flink zijn, “niet zeuren, geen reden voor zoveel misbaar”. Met zijn achtergrond nu goed te begrijpen. Bij echte problemen een liefdevolle, zorgzame vader.

In de twintiger jaren van de vorige eeuw werden er vrijwilligers gezocht voor de verzorging van slachtoffers van  de Pestepidemie die in die tijd heerste in Maastricht. Eenmaal binnen in de speciaal daarvoor gebouwde barakken – bij de naar de epidemie ten onrechte Het Pesthuis genoemde kruitmolen “- … niet meer naar buiten om verdere besmetting onder de bevolking te voorkomen.
Hij verkeerde toen met mijn  moeder. Zij was zeer bezorgd natuurlijk en stuurde hem een bericht dat altijd nog als anekdote in de familie rondgaat; “Twajn, zörg good veur d’ch zelf en vergeet veural neet nao de Mès te goon Zoondag!”

Pa bezat in Bemelen een stukje grond, een volkstuintje. Fietste hij in de oorlog nog naar Kelpen om groente en fruit voor zijn vrouw en kinderen te regelen, in vredestijd werd er in Bemelen gezaaid en geoogst. De mest die het paard van de bakker en melkboer bij ons voor de deur achterlieten werd door mijn jongere broer en ik op de “handkaar” naar het land getransporteerd om te verwerken. TE VOET van SCHARN NAAR BEMELEN! Pa regelde en wij vulden in…..”Blaore? Boevaan blaore?”.

Een merkwaardig slot.
Zo maar een greep uit een onuitputtelijke bron van herinneringen aan een man om lief te hebben.
Mijn vader was geen heilige, geen held. Maar wel een eenvoudig huisvader, plichtsgetrouwe burger, een op anderen betrokken mens, kortom een voorbeeldig vrijwilliger in de Rode Kruisorganisatie.
Toets uw eigen mening niet aan onze herinneringen. Eerder aan de idealen van de stichter Henri Dunant. Past U daarin?. Voel U dan thuis bij het Rode Kruis!

Maastricht, januari 2015
Eugène Schoenmaeckers
Vorm gegeven door
A.C. Schoenmaeckers

oorkonde 2 klein oorkonde 1 klein